door Syb Omlo
MEI 2026
met z'n allen
snorren zoemende insecten
in de zomerzon
's morgens vroeg
is de anders zo stralende bloem
inzichzelfgekeerd
tussen twee bomen
hangt even een zaadpluisje
verstild
het witte zeeschuim
zoekt massaal het strand op
en wordt bruin
de straffe wind werpt
de twee vechtende kraaien
wijd uit elkaar
de groene polder
vol met toendra geluiden -
rotganzen!
op het wad
zingen de eiders
tot een oergod
APRIL 2026
de ochtendzon
schenkt de badende kraai
een stralenkrans
de vlinder volgt
het bospad en neemt ook
mijn afslag
in heel het bos
vieren de bladeren
het lentelicht
na de winternacht
strekt de slang zich 's ochtends uit
in de lentezon
daar staat mijn held!
die oude kromme berk
vol met lentegroen
op een drol
openen zich de vleugels
van een dagpauwoog
zoemend
boven een grafheuvel
de hommel
ó, die zoete geur
hier in het lentebos!
een vlinder ontpopt
zonsopkomst -
tussen het fonkelend dauw
een gele paardenbloem
statig in zwart
tussen pinksterbloemen
de kraai
het prille blaadje
wiegt in de warme omarming
van de lentezon
lente!
de mierenhoop
loopt uit
snuiven
aan witte pruimenbloesems
- een lenteroes
een spreeuw
fluit een deuntje
een waaier van wind
strooit duizend sterretjes
op donker water
twee boomkruipertjes
vinden elkaar om te spelen
in het immense bos
op de beekbodem
het slangenspoor
van de stroming
een windvlaag -
in het kale beukenbos
racet een groep blaadjes
de duizend zonnetjes
van het bloeiend speenkruid!
bij de bosvijver
staan de reigers alvast klaar
- paddentrek